Work in progress | Aeschylus

Afgelopen week werd gerepeteerd aan de internationale productie Aeschylus die te zien zal zijn op het Aeschylia Festival in 2022 dat jaarlijks plaatsvindt in Elefsina, de geboorteplaats van Aischylos.

Jolente De Keersmaeker, Sara Haeck, Stijn Van Opstal, Joshua Serafin, Synne Elve Enoksen, Maria Skoula, Antonis Antonopoulos en Eleni Moleski gaan aan de slag met 'Agamemnon', het eerste deel van de Oresteia-trilogie.

Met drie verschillende versies op tafel - het origineel van Aischylos en de bewerkingen van Ted Hughes en Gustav Ernst - onderzoeken ze hoe ze een nieuwe lezing kunnen geven aan de genderidentiteiten en -patronen waar in de tekst veelvuldig naar wordt gerefereerd.
Misschien zou de titel eerder 'Klytaemnestra' moeten zijn?

 

Aischylos, Gustav Ernst en Ted Hughes
 

Kassandra - uit De Oresteia van Aischylos (458 v. Chr.)

Ah, ah, wat een vuur! En het komt op míj af.
O, o, ai, Wolfsgod Apollo, o. Ik, ik,…
Die leeuwin met twee poten die slaapt met een wolf
nu de edele leeuw er niet is, zal mij, arm kind, doden.
Alsof zij een gifdrank bereidt, mengt ze mijn loon
in haar wrok. Zij scherpt voor haar man het zwaard
en zweert met moord te vergelden dat hij mij hier
heeft gebracht. Waarom mezelf dan belachelijk maken
met deze dingen die ik draag, een staf, profetenlinten
om mijn hals? Vóór ik zelf doodga, vernietig ik jou.
Zij slaat de staf kapot en gooit de linten weg.
Naar de hel met jullie, daar lig je, dat is je loon.
Maak een ander maar rijk met je ellende, niet mij.
En kijk, Apollo zelf trekt mij de orakelkleding uit.
Toen ik, ook in dit gewaad, door vijandige vrienden
ondubbelzinnig werd bespot, keek hij al werkeloos toe
en ik verdroeg dat ik als rondzwervende bedelzuster
‘armoedzaaier, hongerlijder, stakker’ werd genoemd.
Nu maakt dus de Profeet aan mijn profetenleven
een eind: hij heeft me weggevoerd om hier
zo’n dood te sterven. In plaats van het altaar
van mijn vader wacht een hakblok, bloedig
van het warme offer van een afgeslachte vrouw.
Toch laat de hemel ons na onze dood niet ongeëerd.
Er komt een ander, die op zijn beurt voor onze eer
zal waken, het kind uit de schoot dat de moeder doodt
om de vader te wreken. De balling die rondzwerft,
ver van dit land, keert terug en zal de ellende
van deze familie bekronen. Want door de goden
is een dure eed gezworen dat de smekende houding
van zijn gevelde vader hem hierheen zal voeren.
Waarom zou ík, een vreemde, dan zo klagen?
Nu ik eenmaal heb gezien hoe het Troje is vergaan
zoals het haar verging, nu het door een goddelijk
vonnis met de mensen die haar innamen zo afloopt,
zal ik gaan, het laten gebeuren, verdragen dat ik sterf.
Dit hier geldt voor mij als de poort van de dood.
Ik bid dat ik de slag zal krijgen met een vaste hand,
zodat ik zonder stuiptrekken, terwijl het bloed vloeit
bij een lichte dood, mijn oogleden kan sluiten.

 

Tekst Agamemnon
 

Kassandra – Uit Blutbad van Gustav Ernst (1990)

Daar naar binnen ga ik niet.
Waar de lucht bederft
bederft de mens
waar de aarde onderworpen is
tot zij zichzelf niet meer toebehoort
is de mens onderworpen
tot hij zichzelf niet meer toebehoort
dit huis is vol van de dood
horen jullie hem niet
pak toch je oren en schudt ze
strooi toch het zand uit over de weilanden
Terwijl wat eenmaal een was allang
twee is en drie
en vele duizenden. Terwijl toch het eigen bloed
het eigen bloed allang niet meer is. Terwijl wat uit
elkaar is
ook uit elkaar blijft. Nooit meer
zal het ene terug kunnen komen bij het andere, nooit meer
het andere bij het ene. Alleen verlangen
zal er zijn. Het ene
zal verteerd worden door het verlangen naar het andere, het andere
naar het ene. Het verlangen
waait heen en weer als de wind, de wind
waait heen en weer als het verlangen.
Wat een afgronden
wat een afgrijzen en wat een angst
wat een ontzetting
wat een roepen en brullen
tussen alles en iedereen
wat een roepen en brullen, wat een begeerte
hoor ik de continenten doen beven
het ene continent hoor ik schreeuwen
om het andere, vol droefenis
hangen de kusten in de zee, dorstend
naar een boodschap.
Wat jullie missen
zoeken jullie
totdat jullie het nog altijd missen.
Met het verlangen jagen jullie na
wat het verlangen niet stilt.
Jullie wegen zijn
geplaveid
met diegenen die jullie nabij waren.
Wie jullie het meest heft beloofd
op hem zullen jullie je
het meest wreken.
Wie jullie aan het meest herinnert
Doe zullen jullie ook
het meest vergeten.
Alles dreunt
van ontbering. Eenieder
een open wond
door de scheiding.


 

Cassandra –  uit The Oresteia van Ted Hughes (1999)

Apollo! I can feel
The shock waves of my own death
Coming towards me.
Apollo, snatch me away somehow.
This lion-woman who coupled with a wolf
In her lord's absence -
She will kill me. She has whetted the bronze.
Like a witch mashing her herbs,
She swears to make her husband's brain whirl
Pouring my blood into his,
Stirring our blood together in the same vat ­
Corpses together since we arrived together.
This garb is ridiculous on me -
This prophet's robe
Wrapping me in my own dissolution,
This staff, and these  garlands –
They bring me my own death -
Get away from me.
I curse you as you have cursed me.
Trampling these, I feel some freedom
From the curse of my life.
Let Apollo look at this.
Go, give some other foolish woman
The glorious gift of misery.
It made the god happy
To see me laughed at and jeered at,
Mocked as a gypsy, a frightener,
Some hysterical actress with a mad whisper,
A brain-damaged girl, hallucinating.
A pitiable deluded pest at the feast,
Dolled up in this occult regalia
Bestowed by Apollo.
I bore all this derision.
And now Apollo,
Who gave me this one painful sparkle
Of his own huge blaze of foreknowledge,
Trips me up, in a twist of history,
Into this abattoir, pushes me sprawling
To vomit his gift
Here on these bloody floors ­
My last gasp of the incredible.
This is where disbelief will finally desert me.
No longer a mocked seer
Pitied at my father's hearth -
But a carcase chopped on block,
A butcher's block already oily and warm.
But the gods watch these deaths,
They are sending one to avenge us.
A true son of his father’s justice
Who will punish his mother.
Now an exile blowing in the wind,
He will put the topmost stone
On this family's monument
Of bloody crime.
The gods have sealed the contract
That binds the son of Agamemnon
To get the full price
For his father's carcase.
I've finished with tears.
Finished with prophecy
And the pitiless designs of fate.
Finished with Troy
And the will of the gods.
Death is my new life.
Let me welcome it.
No struggle or clinging to breath and tears ­
A single numbing blow to liberate me.
Then let me drop and relax and melt
Into the huge ease - of death.