Brieven uit de literatuur | Thomas Bernhard

Omdat STAN zo’n groot en divers netwerk heeft van gastspelers, verspreid over de hele wereld, leek het ons leuk om die mensen met elkaar in contact te brengen door middel van brieven uit de literatuur. En op die manier ook een beetje al die verschillende auteurs uit verschillende tijden met elkaar in gesprek te laten gaan. 

Scarlet Tummers gaf het startschot met een brief van Anton Tsjechov voor Gillis Biesheuvel.
Gilles koos een brief van Oscar Wilde voor Sofie Sente.
Sofie stuurde een brief van Franz Kafka naar Minke Kruyver.
Minke voegde een brief van Vincent Van Gogh aan zijn broer Theo toe voor Tiago Rodrigues.
Tiago richtte zich met een brief van Georg Büchner tot Kuno Bakker.
Kuno vroeg met een brief van Rainer Maria Rilke aan Tale Dolven om de ketting verder te zetten.
Tale nodigde met een brief van John Berger Federica Porello uit.
Federica stuurde een brief van Umberto Eco aan Matthias de Koning.
Matthias zette het gesprek voort met een brief van Jan Hanlo voor Peter Van den Eede. 
Peter Van den Eede adresseerde een brief van Oscar Wilde aan Sara De Roo. 
Sara De Roo selecteerde een brief van Annelies Verbeke voor Atta Nasser. 
Atta Nasser koos een brief van Rainer Maria Rilke voor Frank Vercruyssen. 
Frank Vercruyssen zond een brief van Patrice Lumumba aan Jolente De Keersmaeker.
Jolente De Keersmaeker stuurde een brief van George Sand aan Damiaan De Schrijver.

Hieronder lees je een fragment uit de roman 'JA' van Thomas Bernhard uitgekozen door Damiaan De Schrijver en de afsluiter van deze brievenreeks.


Ik had altijd gehouden van zogenaamd filosoferende mensen, niet van de eigenlijke filosofen die ik in mijn leven was tegengekomen en die geen van allen iets met de werkelijke filosofen te maken hadden, hun schoolmeestersfilosofie en dus hun filosofengebazel hadden mij altijd tegen de borst gestuit. Het is nu niet de tijd van de filosofen, iedereen die tegenwoordig zo wordt genoemd, wordt in werkelijkheid alleen maar ten onrechte en volkomen misleidend zo genoemd, het zijn in werkelijkheid niets anders dan heel gewone stompzinnige antisensibele filosofieherkauwers, die het moeten hebben van het feit dat ze honderden en duizenden versleten gedachten uit de tweede en derde en vierde hand publiceren, in de collegezalen en op de boekenmarkt. Er zijn geen hedendaagse filosofen. Maar wat er wel is, is de filosoferende mens, zo'n filosoferende mens wil ik mezelf noemen en waarschijnlijk was ook de Perzische zo'n filosoferende mens.

Eind goed al goed - Thomas Bernhard