Brieven uit de literatuur | Rainer Maria Rilke (II)

Omdat STAN zo’n groot en divers netwerk heeft van gastspelers, verspreid over de hele wereld, leek het ons leuk om die mensen met elkaar in contact te brengen door middel van brieven uit de literatuur. En op die manier ook een beetje al die verschillende auteurs uit verschillende tijden met elkaar in gesprek te laten gaan. 

Scarlet Tummers gaf het startschot met een brief van Anton Tsjechov voor Gillis Biesheuvel.
Gilles koos een brief van Oscar Wilde voor Sofie Sente.
Sofie stuurde een brief van Franz Kafka naar Minke Kruyver.
Minke voegde een brief van Vincent Van Gogh aan zijn broer Theo toe voor Tiago Rodrigues.
Tiago richtte zich met een brief van Georg Büchner tot Kuno Bakker.
Kuno vroeg met een brief van Rainer Maria Rilke aan Tale Dolven om de ketting verder te zetten.
Tale nodigde met een brief van John Berger Federica Porello uit.
Federica stuurde een brief van Umberto Eco aan Matthias de Koning.
Matthias zette het gesprek voort met een brief van Jan Hanlo voor Peter Van den Eede. 
Peter Van den Eede adresseerde een brief van Oscar Wilde aan Sara De Roo. 
Sara De Roo selecteerde een brief van Annelies Verbeke voor Atta Nasser. 

Hieronder vind je Atta's brief van Rainer Maria Rilke die hij aan Frank Vercruyssen richt. 


THANS IN WORPSWEDE BIJ BREMEN, 16 juli 1903

Een dag of tien geleden heb ik Parijs verlaten, me niet erg goed voelend en moe, en ben ik naar een grote, noordelijke vlakte gereisd, waarvan de weidsheid en rust en hemel me weer gezond moeten maken. Maar ik belandde in een langdurige regen, die pas vandaag wat wil afnemen boven het onrustige, winderige land. En ik maak van dit eerste heldere ogenblik gebruik om u een groet te zenden.

Mijn beste Kappus, ik heb een brief van u lang onbeantwoord gelaten, maar niet omdat ik hem zou zijn vergeten – integendeel, hij behoorde tot die welke je herleest als je ze tussen je brieven aantreft, en ik zag u erin als van heel dichtbij. Het was de brief van 2 mei, u herinnert zich die beslist. Als ik hem, zoals nu, in de diepe stilte van deze afzondering lees, dan ontroert uw bewonderenswaardige zorg om het leven mij nog méér dan ik al in Parijs heb ervaren, waar alles anders op- en verklinkt vanwege het enorme lawaai dat de dingen aan het trillen brengt. Hier, omringd door een geweldig groot land waar vanuit de zeeën de winden overheen gaan, hier voel ik dat op die vragen en gevoelens, die diep in zichzelf een eigen leven hebben, geen enkel mens u kan antwoorden; want ook de besten gebruiken de verkeerde woorden als ze iets heel subtiels en bijna onzegbaars moeten uitdrukken. Maar desondanks hoeft u volgens mij niet van een oplossing verstoken te blijven als u zich houdt aan dingen welke een gelijkenis vertonen met die waaruit mijn ogen op dit moment nieuwe krachten putten. Als u zich houdt aan de natuur, aan de eenvoud in de natuur, aan het kleine dat vrijwel niemand ziet en dat zo plotseling het grote en onmetelijke kan worden; wanneer u die liefde voor het geringe bezit en heel bescheiden, als een ondergeschikte, het vertrouwen probeert te winnen van datgene wat pover lijkt, dan zal alles eenvoudiger, meer een eenheid en op de een of andere manier aanvaardbaarder voor u worden – misschien niet voor uw verstand, dat vol verbazing achterblijft, maar wel voor uw diepste bewustzijn, wakker-zijn en weten. U bent zo jong, in het leven nog zo onervaren, dat ik u, mijn beste, zo goed ik kan zou willen vragen geduld te hebben met alles wat in uw hart nog niet tot een oplossing is gekomen en te proberen de vragen zelf lief te hebben als voor u niet toegankelijke kamers en als boeken die in een volkomen onbekende taal zijn geschreven. Zoek nu niet naar de antwoorden die u niet gegeven kunnen worden, omdat u niet in staat zou zijn ze te leven. En het gaat erom alles te leven. Leef nu uw vragen. Misschien leeft u dan gaandeweg, ongemerkt, op een dag in een ver verschiet het antwoord binnen. Misschien immers bezit u de gave om iets uit te beelden, in een vorm te gieten, als een bijzonder gelukkige en zuivere wijze van leven; ontwikkel die gave – maar aanvaard wat komt in groot vertrouwen, en komt het alleen voort uit uw wil, uit een of ander innerlijk leed, neem het dan voor uw verantwoording en haat niets. Onze seksualiteit is iets moeilijks; dat is zo. Maar het is iets moeilijks dat ons werd opgelegd, bijna alles wat ernstig is is moeilijk, en alles is ernstig. Als u dat maar inziet en zover komt dat u vanuit u zelf, vanuit uw aanleg en aard, vanuit uw ervaring, jeugd en kracht ene heel eigen (niet door zeden en gebruiken beïnvloede) verhouding tot de seksualiteit verovert, dan hoeft u niet meer bang te zijn uzelf te verliezen en uw hoogste bezit onwaardig te worden.

Als u zich houdt aan de natuur, aan de eenvoud in de natuur, aan het kleine dat vrijwel niemand ziet en dat zo plotseling het grote en onmetelijke kan worden; wanneer u die liefde voor het geringe bezit en heel bescheiden, als een ondergeschikte, het vertrouwen probeert te winnen van datgene wat pover lijkt, dan zal alles eenvoudiger, meer een eenheid en op de een of andere manier aanvaardbaarder voor u worden – misschien niet voor uw verstand, dat vol verbazing achterblijft, maar wel voor uw diepste bewustzijn, wakker-zijn en weten.

De lichamelijke wellust is een zintuigelijke waarneming, zoals het zuivere kijken of het pure gevoel van een mooie vrucht op onze tong; zij is een grote, oneindige ervaring die ons wordt gegeven, een weten van de wereld, de volheid en de luister van alle weten. En niet dat wij haar deelachtig worden is slecht; slecht is dat vrijwel iedereen die ervaring misbruikt en verspilt, haar op vermoeide momenten in het leven als stimulans gebruikt en als verstrooiing in plaats van als concentratie om hoogtepunten te bereiken. De mensen hebben ook van het eten iets anders gemaakt: gebrek aan de ene en overvloed aan de andere kant hebben de zuiverheid van deze behoefte vertroebeld, en even troebel zijn al de diepe en eenvoudige behoeften geworden waardoor het leven zich vernieuwt. Maar het menselijk individu kan ze voor zichzelf zuiveren en zuiver leven (en zo niet het menselijk individu, dat te afhankelijk is, dan toch de eenzame mens). Hij is in staat te onderkennen dat alle schoonheid in dieren en planten een stille, duurzame vorm is van liefde en verlangen, en hij kan zien hoewel het dier als de plant zich geduldig en gewillig verenigen en vermeerderen en groeien – niet uit vleselijke lust, niet uit lichamelijk leed, maar toegevend aan behoeften die groter zijn dan hun lust en leed en sterker dan hun wil en verzet. Ach, ontving, droeg en verdroeg de mens dit geheim, waarvan de aarde tot in haar kleinste dingen is vervuld, maar ernstiger en voelde hij maar hoe verschrikkelijk moeilijk het is in plaats van er zo licht over te denken. Stond hij maar eerbiedig tegenover zijn vruchtbaarheid die, of ze nu geestelijk of lichamelijk lijkt, één en dezelfde vruchtbaarheid is; want ook het geestelijke vindt zijn oorsprong in het lichamelijke, is daarmee één scheppingskracht, en niet dan een zachtere, extatischer en eeuwiger herhaling van vleselijke wellust. ‘De gedachte een schepper te zijn, iets tot leven te wekken en vorm te geven, is niets zonder dat dit voortdurend en op grote schaal in de wereld wordt bevestigd en verwezenlijkt, niets zonder de duizendvoudige bijvalsbetuigingen van de dingen en de dieren – en het eraan ontspruitende genot is alleen daarom zo onbeschrijfelijk mooi en rijk, omdat het vol overgeërfde herinneringen is aan het tot leven wekken en baren van miljoenen. In één scheppersgedachte herleven duizend vergeten liefdesnachten en vervullen die van grootheid en verhevenheid. En zij die in de nachten samenkomen en in wiegende wellust zijn verstrengeld, doen een serieus werk: zij vergaren zoetheden, diepte en kracht voor het lied van een of andere toekomstige dichter die zal opstaan om onuitsprekelijke geluksgevoelens te verwoorden; en zij roepen de toekomst naderbij. En ook al dolen zij rond en grijpen zij blindelings om zich heen, dan nog komt de toekomst, een nieuwe mens staat op, en op de bodem van het toeval dat zich hier schijnt te manifesteren, ontwaakt de wet die wil dat een resistente en krachtige zaadcel doordringt tot de eicel die hem open tegemoet komt. Laat u niet op een dwaalspoor brengen door wat u aan de oppervlakte ziet; in de diepte wordt alles wet. En zij die het geheim verkeerd en slecht leven (en dat zijn er heel veel), verliezen dit alleen voor zichzelf en geven het, zonder het te weten, toch door als een gesloten brief. En raak niet van de wijs door de veelheid van namen en de complexiteit van de gevallen. Misschien staat alles wel in het teken van een groot moederschap, als een gemeenschappelijk verlangen. De schoonheid van de maagd, een wezen dat (zoals u het zo fraai uitdrukt) ‘nog niets heeft opgeleverd’, bestaat in het moederschap, dat zichzelf voorvoelt en voorbereidt, dat vrees en verlangen koestert. En de schoonheid van de moeder bestaat in een dienend moederschap, en in de oude vrouw leeft een grote herinnering voort. En ook in de man is moederschap, lijkt me, zowel lichamelijk als geestelijk; zijn verwekken is ook een soort baren, en baren is het als hij uit zijn meest persoonlijke rijkdom creëert. En misschien zijn de seksen wel verwanter dan men denkt, en de grote vernieuwing van de wereld zal er misschien wel in bestaan dat de man en het meisje, bevrijd van alle valse gevoelens en gevoelens van onlust, elkaar niet als hun tegenpool zullen zoeken, maar als broer en zus en als buren, en dat zij zich als mens zullen aaneensluiten om eenvoudig, ernstig en geduldig de hun opgelegde zware last van hun seksualiteit gezamenlijk te dragen.

Laat u niet op een dwaalspoor brengen door wat u aan de oppervlakte ziet; in de diepte wordt alles wet.

Maar alles wat misschien ooit voor velen mogelijk zal zijn, kan de eenzame mens nu al voorbereiden en tot stand brengen met zijn handen, die zich minder vergissen. En daarom, mijn beste, heb uw eenzaamheid lief, en draag het leed dat zij u aandoet met welluidende weeklacht. Want degenen die u na staan zijn ver weg, zegt u, en dat wijst er op dat het om u heen ruim begint te worden. En als het nabijgelegene voor u ver weg is, dan strekt de ruimte om u heen zich al tot de sterren uit en is ze heel groot; verheug u in uw groei, waarin u niemand kunt meenemen, en wees goed voor degenen die achterblijven, wees zelfverzekerd en kalm jegens hen, kwel hen niet met uw twijfels en jaag hun geen schrik aan met uw vertrouwen of vreugde, die zij niet zouden kunnen begrijpen. Zoek met hen een of andere eenvoudige en trouwe gemeenschappelijkheid, die niet noodzakelijkerwijs hoeft te veranderen – als u zelf steeds maar anders wordt; heb in hen het leven lief in een u onbekende vorm en heb consideratie met de ouderwordende mensen die bang zijn voor de eenzaamheid, waarin u zich juist zo in uw element voelt. Vermijd het om voedsel te geven aan drama dat altijd als een net tussen ouders en kinderen is gespannen; het vergt van de kinderen veel energie en verbruikt van de ouders de liefde die, ook als zij niet begrijpt werkzaam is en verwarmt. Vraag hun niet om raad en reken niet op begrip; maar geloof in een liefde die als een erfenis voor u wordt bewaard, en vertrouw erop dat in deze liefde een kracht besloten ligt en een zegen, die u niet hoeft los te laten om heel ver te gaan!

En daarom, mijn beste, heb uw eenzaamheid lief, en draag het leed dat zij u aandoet met welluidende weeklacht.

Het is goed dat u eerst belandt in een beroep dat u zelfstandig maakt en u, in iedere betekenis, geheel op uzelf terugwerpt. Wacht geduldig af of u zich in het diepst van uw ziel beknot voelt door de vorm van dit beroep. Ik voor mij vind het een heel zwaar en veeleisend beroep, omdat het is belast met grote conventies en vrijwel geen ruimte biedt voor een persoonlijke interpretatie van de eraan verbonden taken. Maar uw eenzaamheid zal ook in zeer vreemde omstandigheden een houvast en een thuishaven voor u zijn, en vanuit die eenzaamheid zult u al uw wegen vinden. Al mijn goede wensen zijn bereid u te vergezellen, en mijn vertrouwen is met u.

Uw RAINER MARIA RILKE

(c) Atta Nasser

Illustratie (c) Atta Nasser