Brieven uit de literatuur | Jan Hanlo

Omdat STAN zo’n groot en divers netwerk heeft van gastspelers, verspreid over de hele wereld, leek het ons leuk om die mensen met elkaar in contact te brengen door middel van brieven uit de literatuur. En op die manier ook een beetje al die verschillende auteurs uit verschillende tijden met elkaar in gesprek te laten gaan. 

Scarlet Tummers gaf het startschot met een brief van Anton Tsjechov voor Gillis Biesheuvel.
Gilles koos een brief van Oscar Wilde voor Sofie Sente.
Sofie stuurde een brief van Franz Kafka naar Minke Kruyver.
Minke voegde een brief van Vincent Van Gogh aan zijn broer Theo toe voor Tiago Rodrigues.
Tiago richtte zich met een brief van Georg Büchner tot Kuno Bakker.
Kuno Bakker vroeg aan Tale Dolven om de ketting verder te zetten.
Zij nodigde op haar beurt Federica Porello uit voor een bijdrage, dat werd een brief van Umberto Eco.

Federica vroeg tenslotte aan Matthias de Koning om het gesprek verder te zetten. 


hai scarlet,

hierbij een brief van 18-11-1964 (een brief van jan hanlo), bestemd voor peter van den eede; ik had hem misschien willen sturen naar damiaan, of naar sara de bosschere, of naar annie kouwenhoven, maar ik dacht: peter.

ik zou het goed vinden als je deze tekst meestuurt (wat ik aan jou schrijf) en dat peter moet weten, dat ik het niet eens ben met de laatste 3 zinnen van hanlo's brief, ik vind juist het omgekeerde, maar daarom is de brief niet minder informatief,

grote groet en tot verderop,

mat.

De brief komt uit de het boek BRIEVEN 1963-1969 van Jan Hanlo.


18-11-1964
Valkenburg

Aan H. Niessen

Een gebrek aan begrip voor elkaars werk hoeft nooit zo tragisch te zijn (ik vind het weer (weder) van vandaag veel tragischer: waarlijk een depressie, met een verstikkende gele rook in de kamer omdat de rook in de schoorsteen niet stijgen wil, natte jassen allicht – duizenden strontiumdeeltjes doordrenkt).

Heel overdreven mijn visie wat betreft ‘contact’, ‘begrip’ in verband met gedichten toegelicht:
Iemand houdt van P A D D E N (Van Geel, die dichter-schilder uit Groet N.H., bijvoorbeeld). Hij denkt: ‘dan ben ik dus het vriendje van padden’. Neen (zeg ik), want die pad houdt niet van padden, en ook niet van Van Geels, maar van vliegen.

Of:
Iemand houdt van S T I L T E. Nu denkt hij: ‘dan ben ik het vriendje van padden, want padden hebben stilte’. Mis, zeg ik, want padden houden helemaal niet zoveel van stilte, ze houden van V L I E G E N, zelfs van lawaaiige vliegen (bromvliegen, daasvliegen).

U houdt misschien van mensen die (soms) verdriet hebben en daardoor stil zijn. Maar die mensen van wie u houdt, houden helemaal niet van mensen die verdriet hebben, en ze houden ook niet van verdriet en de ‘stilte’ is voor hen ook maar een accidenteel symptoom, iets bijkomstigs.

brief Matthias illustratie

A’s interesse (de uwe, in dit geval) is op B (op mij) gericht, omdat mijn (B’s) interesse op C gericht is, en daaruit concludeert u dat A en B eigenlijk dezelfde interesse hebben, en dus begrip voor elkaar moeten hebben. Neen, A heeft een zekere interesse voor B, of misschien nog preciezer gezegd: voor het fenomeen B C. Maar de gerichtheid van A’s en B’s interesse is niet gelijk.

Als ik (of een romantisch schilder, laten wij zeggen) van wrakken, of van katten, of van rook – ik noem maar wat – houd, dan wil dat nog niet zeggen, dat die wrakken zelf van wrakken houden. Katten houden van muizen en rook houdt van de frisse hemel.

Nu zou u één sterk argument naar voren kunnen brengen: dat ieder n.l. ook van Z I C H Z E L F houdt, dat dus een wrak wel van zichzelf, desnoods als wrak, een kat van de kat die hijzelf is, de rook van de rook die hij zelf is, houdt.

Dat is wel zo, maar iemand houdt – geloof ik – toch niet erg van zichzelf als beperkt of afgerond F E N O M E E N.

Hij houdt van iets I N zichzelf (eventueel een illusie, die hij min of meer fantaseert en creëert).

Ons dispuut gaat overigens niet zozeer over ‘houden van’ als wel over ‘begrip hebben voor’.

Als u en bijv. uw vrouw beide belangstelling heeft voor uw kinderen, dan kunt u zeggen dat u contact met (begrip voor) elkaar heeft (op dat punt), terwijl dan juist de interesse van u beiden N I E T op elkaar (maar wel op hetzelfde punt – de kinderen) gericht is.

Wanneer u echter mijn gedichten mooi vindt, dan is uw interesse gericht op iets anders dan waar mijn interesse op gericht was, en dus is het niet gek als mijn interesse weer ergens anders ligt als de uwe. Nogmaals – bij herhaling – een beeld: U kijkt met uw verrekijker naar iemand die, stil van belangstelling, tuurt naar iets. U bent geïnteresseerd in dat beeld, die turende mens die door zijn spanning – en tegelijk ontspanning – zijn stilte als het ware overbrengt op u, wat iets weldadigs voor u heeft.

Nu maakt u (de m.i. foute) stap, te stellen: ‘wat zal die mens die ik daar zo aardig en stil zie zitten te turen óók veel van aardige en stille tuurders houden’.

Welneen, die turende mens keek naar een rups. En die rups keek weer naar een vogel die overscheerde en die vogel keek naar de man met de verrekijker. En niemand had belangstelling voor hetzelfde – dat was maar goed, dan was er ook geen concurrentie, die er bijv. wel is als vogels samen op vliegjes jacht maken – dus niemand was gelijk aan elkaar of had innerlijk contact met elkaar.

Ach, ik leg het er misschien wat dik op, maar het is nodig om te onderscheiden. Zo houd ik bijv. W E L van gedichten, maar N I E T van gedichten die gaan over dichten. Die verfoei ik. Dit is paradoxaal, maar toch een feit.


vorige brief  |  volgende brief