Brieven uit de literatuur | George Sand

Omdat STAN zo’n groot en divers netwerk heeft van gastspelers, verspreid over de hele wereld, leek het ons leuk om die mensen met elkaar in contact te brengen door middel van brieven uit de literatuur. En op die manier ook een beetje al die verschillende auteurs uit verschillende tijden met elkaar in gesprek te laten gaan. 

Scarlet Tummers gaf het startschot met een brief van Anton Tsjechov voor Gillis Biesheuvel.
Gilles koos een brief van Oscar Wilde voor Sofie Sente.
Sofie stuurde een brief van Franz Kafka naar Minke Kruyver.
Minke voegde een brief van Vincent Van Gogh aan zijn broer Theo toe voor Tiago Rodrigues.
Tiago richtte zich met een brief van Georg Büchner tot Kuno Bakker.
Kuno vroeg met een brief van Rainer Maria Rilke aan Tale Dolven om de ketting verder te zetten.
Tale nodigde met een brief van John Berger Federica Porello uit.
Federica stuurde een brief van Umberto Eco aan Matthias de Koning.
Matthias zette het gesprek voort met een brief van Jan Hanlo voor Peter Van den Eede. 
Peter Van den Eede adresseerde een brief van Oscar Wilde aan Sara De Roo. 
Sara De Roo selecteerde een brief van Annelies Verbeke voor Atta Nasser. 
Atta Nasser koos een brief van Rainer Maria Rilke voor Frank Vercruyssen.
Frank Vercruyssen stuurde een brief van Patrice Lumumba aan Jolente De Keersmaeker.

Hieronder lees je de brief die Jolente uitkoos voor Damiaan De Schrijver.
Een brief van George Sand, pseudoniem voor Amantine Aurore Lucile Dupin, aan Pietro Pagello uit het boek ‘Een moeilijke liefde: George Sand/ Alfred de Musset Brieven’.
George Sand (1804-1876) is één van de belangrijkste schrijfsters uit de Franse literatuurgeschiedenis en feministe avant la lettre.


 

Venetië (?) februari 1834

En Moréé

Geboren onder verschillende hemels, hebben wij noch dezelfde gedachten noch dezelfde taal; hebben wij tenminste dezelfde inborst?

Het zoele en nevelachtige klimaat waar ik vandaan kom, hebben mij milde en melancholieke indrukken gelaten: welke hartstochten heeft de overvloedige zon die jouw voorhoofd gebruind heeft, jou gegeven? ik kan liefhebben en lijden, en jij, hoe heb jij lief?

Jouw vurige blikken, je heftige omhelzing, je drieste verlangens lokken mij aan en maken me bang. Ik kan jouw hartstocht bestrijden nog delen. In mijn land bemint men niet zo; naast jou ben ik een bleek standbeeld, ik kijk naar je met verbazing, met verlangen, met ongerustheid.

Ik weet niet of je echt van me houdt. Dat zal ik nooit weten. Jij spreekt ternauwernood een paar woorden in mijn taal, en ik ken de jouwe niet goed genoeg om je zulke subtiele vragen te kunnen stellen. Misschien kan ik onmogelijk duidelijk maken wat ik bedoel, ook al zou ik de taal die jij spreekt grondig kennen.

Zul je me troosten voor het verdriet dat ik gehad heb voordat ik je ontmoette? Zul je weten waarom ik somber ben? Ken jij mededogen, geduld, vriendschap?

De plaatsen waar wij gewoond hebben, de mensen die ons hebben onderwezen, zijn er de oorzaak van dat wij ongetwijfeld ideeën, gevoelens en behoeften hebben die we elkaar niet kunnen uitleggen. Mijn zwak gestel en jouw vurig temperament moeten wel tot zeer verschillende gedachten leiden. Jij zult de duizend en één lichte kwellingen die mij doen lijden, niet kennen of je zult ze verachten, jij zult wel lachen om wat mij doet huilen.

Misschien ken je de tranen niet.

Zul je voor mij een steun of een meester zijn? Zul je me troosten voor het verdriet dat ik gehad heb voordat ik je ontmoette? Zul je weten waarom ik somber ben? Ken jij mededogen, geduld, vriendschap? Ben jij christen, noch mohammedaan, beschaafd noch barbaars? Is jouw denken edel en zuiver, jouw voelen broederlijk en vroom? Als je slaapt, droom je dan dat je ten hemel stijgt? Als de mensen je kwaad doen, vestig je dan je hoop op God?

Begeer je mij of houd je van me? Als jouw hartstocht voldaan is, zul je me dan weten te bedanken? Als ik je gelukkig maak, zul je me dat dan kunnen zeggen?

Weet je wat ik ben, en verontrust het je het niet te weten? Voor jou iets onbekends dat maakt dat jij zoekt en droomt. Weet je wat dat is, het verlangen van de ziel dat niet door de zinnen bevredigd wordt, dat door geen enkele menselijke liefkozing in slaap gesust of afgemat kan worden?

Als ik je gelukkig maak, zul je me dat dan kunnen zeggen?

Laten de genoegens van de liefde jou buiten adem en versuft achter, of brengen ze jou in een goddelijke extase?

Oh! als ik zie dat jij rustig bent, zal ik dan weten of je nadenkt of uitrust? Als je blik kwijnend wordt, zal het dan van tederheid of van vermoeidheid zijn? 

Misschien denk je dat jij niet weet (…) dat ik je niet ken. Ik ken je verleden, noch je karakter, en ik weet ook niet wat de mensen die jou kennen, van jou denken. Misschien ben jij de eerste, misschien de laatste onder hen. Ik houd van je zonder dat ik weet of ik je zal kunnen achten, ik houd van je omdat je me bevalt, misschien zal ik gedwongen worden je weldra te haten.

Jij zult me tenminste niet bedriegen, jij zult me geen ijdele beloften doen en valse eden zweren. Jij zult op jouw manier zo goed mogelijk van me houden.

Als jij een man uit mijn land was, zou ik je ondervragen en jij zou me begrijpen. Maar ik zou misschien nog ongelukkiger zijn, want jij zou me bedriegen.

Jij zult me tenminste niet bedriegen, jij zult me geen ijdele beloften doen en valse eden zweren. Jij zult op jouw manier zo goed mogelijk van me houden. Wat ik tevergeefs bij de anderen gezocht heb, zal ik misschien niet bij jou vinden, maar ik zal altijd kunnen denken dat jij het hebt. De blikken en de liefkozingen in de liefde die me altijd bedrogen hebben, zul jij mij laten uitleggen zoals ik dat wil, zonder er misleidende woorden aan toe te voegen. Ik zal je mijmering kunnen interpreteren en je stilte veelbetekend kunnen laten spreken. Ik zal aan je daden die bedoeling toeschrijven die ik wil. Als je me teder aankijkt, zal ik denken dat jouw ziel zich tot de mijne richt; als jij naar de hemel kijkt, zal ik denken dat jouw verstand weer opstijgt tot de eeuwige bron waaruit het afkomstig is.

Laten we dus zo blijven, leer de taal die ik spreek niet, ik wil in de jouwe niet naar de woorden zoeken die jou mijn twijfels en mijn angsten zouden meedelen. Ik wil niet weten wat jij met je leven doet en welke rol jij speelt onder de mensen. Ik zou willen dat ik je naam niet wist, verberg je ziel voor mij opdat ik altijd kan geloven dat zij mooi is.