Brieven uit de literatuur | Georg Büchner

Omdat STAN zo’n groot en divers netwerk heeft van gastspelers, verspreid over de hele wereld, leek het ons leuk om die mensen met elkaar in contact te brengen door middel van brieven uit de literatuur. En op die manier ook een beetje al die verschillende auteurs uit verschillende tijden met elkaar in gesprek te laten gaan. 

Scarlet Tummers gaf het startschot met een brief van Anton Tsjechov voor Gillis Biesheuvel die op zijn beurt een brief van Oscar Wilde uitkoos voor Sofie Sente die een brief van Franz Kafka naar Minke Kruyver stuurde die een brief van Vincent Van Gogh aan zijn broer Theo aan de ketting toevoegt. Minke nodigde vervolgens Tiago Rodrigues uit om aan de correspondentie bij te dragen. Hij koos een brief van Georg Büchner. 


April 1833. Aan mijn familie in Darmstad

Straatsburg, de 5e april 1833

Ik heb vandaag jullie brief over de verhalen uit Frankfurt ontvangen. Dit is mijn mening: Als er in onze tijd iets kan helpen, dan is het geweld. We weten, wat we van onze vorsten mogen verwachten. Alles wat ze toestonden, werd ze noodwendig afgedwongen. En zelfs het toegestane werd ons toegeworpen, als een afgebedelde gunst en een ellendig stuk speelgoed, om het eeuwig apengapende volk hun te strak gesnoerde touw te laten vergeten.

Het is met een geweer van blik en een sabel van hout, dat alleen een Duitser de absurditeit kon begaan, soldaatje te spelen. Onze landerijen zijn een satire van het gezonde verstand, we kunnen nog een eeuw zo voortbewegen, en als we de resultaten dan bekijken, heeft het volk de schone Rede van zijn vertegenwoordiger nog altijd duurder betaald, dan de Roomse Keizer, die zijn hofpoëten voor twee gebroken verzen 20.000 gulden gaf.

Men verwijt de jonge mensen dat ze geweld gebruiken. Maar leven we dan niet in een onophoudelijke toestand van geweld? Omdat we in een kerker geboren en grootgebracht zijn, merken we niet meer, dat we weggestopt zitten, met handen en voeten vastgebonden zijn en een prop in onze mond hebben.

Wat noemen jullie dan een wettelijke toestand? Een wet, die de grote massa tot volgzaam vee maakt, om de kunstmatige behoeften van een onbeduidende en verdorven minderheid te bevredigen? En deze wet, verdedigd door een brute militaire macht en door de domme sluwheid van zijn agenten, deze wet is een onophoudelijk, bruut geweld, dat het recht en het gezonde verstand aanvalt, en daar zal ik me met hand en tand tegen verzetten, waar ik kan.

Als ik aan dat, wat gebeurd is, geen deelgenomen heb en aan dat, wat nog zal gebeuren, geen deel zal nemen, dan is dat niet uit afkeuring of angst, maar alleen omdat ik op dit moment elke revolutionaire beweging als een vergeefse onderneming beschouw, en ik de verblinding van diegenen niet deel, die denken dat het Duitse volk bereid is te vechten voor zijn rechten.

Deze vreemde mening was de bron van de incidenten in Frankfurt en die vergissing heeft zwaar teruggeslagen. Je vergissen is overigens geen zonde, en de Duitse onverschilligheid is werkelijk van die aard, dat ze alle berekening te schande maakt. Ik betreur de ongelukkigen met heel mijn hart. Zou geen van mijn vrienden in de zaak verwikkeld zijn? …..

 

Men verwijt de jonge mensen dat ze geweld gebruiken. Maar leven we dan niet in een onophoudelijke toestand van geweld?

 

Jolente over Tiago naar aanleiding van de uitreiking van de theaterprijs XV Europe Prize Theatrical Realities in 2018:

Giessen Février 1834

Je ne méprise personne et surtout pas à cause de son intelligence ou de sa culture parce que personne n’a le pouvoir de ne pas venir un sot ou un criminel- parce que des circonstances égales nous rendraient sont doute tous égaux et parce que les circonstances sont hors de nous

Et l’intelligence surtout …

Lissabon, juli 1997

Discotheek Beleza. Boven de klanken van Kaapverdische muziek uit hebben Tiago en ik een gesprek over spelen. Ik heb juist samen met mijn kompanen van tg STAN een drie weken durende workshop gegeven aan Portugese theaterstudenten en professionals. Tiago is één van die studenten aan het conservatorium in Lissabon.

We praten over personage en geen personage, over de grens tussen het ‘echte’ leven en het gespeelde leven over uzelf willen tonen, over het allerindividueelste willen laten zien, over de schoonheid en de kracht daarvan.

We praten over Georg Büchner. Over zijn revolutionaire politieke ideeën, over zijn - ondanks zijn jonge leeftijd - haarscherpe inzicht in het menselijk falen, over de tragedie van zijn veel te vroege sterven (Büchner stierf op zijn 23ste), over de drie meesterwerken die hij achterliet (Dantons Dood, Leonce en Lena, Woyzeck), over wat als hij tachtig geworden zou zijn … 

We praten over hoe zo een  schrijver de leidraad, de houvast, de troost voor ons eigen leven kan zijn, maar ook de lont in het kruitvat, het zout op de wonde…  

Ik zeg dat ik daarom toneel wil spelen, omdat ik die woorden door mij wil laten stromen en zo het leven misschien beter begrijp, ze wil doorgeven, ze heel luid wil kunnen roepen…

Ik kijk Tiago aan en het gebeurt: ik zie in zijn ogen hetzelfde verlangen.

En dus denk ik: ik wil met hem op, ik wil samen met hem doorgeven, ik wil werelden creëren met hem.

Het volgende jaar maken we Platonov en spelen we de eerste keer samen Sasja en Osip. We zoeken en tasten af.

Toulouse, 2000

Les Antigones van Anouil en Cocteau.

We discussiëren twee maanden lang over onverzettelijkheid, over het belang van het onlogische, over tegendraads zijn, het intuïtieve, over man/vrouw, over verloren matriarchaten…

Later volgen Nora van Ibsen en Anna Karenina van Tolstoi. Tragische heldinnen van de wereldliteratuur, daar worden we naar toe gezogen.

Misschien omdat we de liefde delen voor het afwijkende, de kras op de plaat, het geheim in ieder van ons, de drang om het onverklaarbare vorm te geven.

Dat betekent niet dat we het altijd eens zijn, integendeel. We zijn koppig en driftig in onze discussies. Maar er staat ook veel op het spel. We willen namelijk samen toneelspelen en dus kunnen we niets achterhouden. We willen doorwaadbaar worden voor elkaar. We willen, als het ware, gedurende twee uur in het grootste vertrouwen en met de innigste liefde elkaar zachtjes kunnen vermoorden. We willen elkaars medespeler worden.

Het grootste geschenk dat je als toneelspeler kunt krijgen is een medespeler wiens hart je ziet kloppen in zijn ogen, die niet bang is om samen ten onder te gaan en wiens bloed je hoort stromen uit opwinding voor de schoonheid en de onontkoombaarheid van de woorden die de grote meesters ons geven. Een medespeler die het verlangen deelt om samen doorzichtig, transparant te worden…

Tiago is zo’n speler, zo’n medespeler.

Hij speelt over/met/in/naast/onder/boven/rond u. Hij IS daar en maakt, kneedt, samen met u de avond. Hij denkt, bedenkt, herdenkt. Hij zet je een hak en pakt je stevig vast als je valt. Hij knijpt in je arm en stelt je gerust. Hij gaat de bocht uit, chargeert en is schaamteloos vrij.

Met opgeheven hoofd verliest hij zijn tekst en fluistert de mijne zachtjes in mijn oor.

Ik speel nu dertig jaar toneel en ik verzeker u, zo’n spelers zijn zeldzaam en uniek.

 

Het grootste geschenk dat je als toneelspeler kunt krijgen is een medespeler wiens hart je ziet kloppen in zijn ogen, die niet bang is om samen ten onder te gaan en wiens bloed je hoort stromen uit opwinding voor de schoonheid en de onontkoombaarheid van de woorden die de grote meesters ons geven.

vorige brief   |   volgende brief