Brieven uit de literatuur | Franz Kafka

Omdat STAN zo’n groot en divers netwerk heeft van gastspelers, verspreid over de hele wereld, leek het ons leuk om die mensen met elkaar in contact te brengen door middel van brieven uit de literatuur. En op die manier ook een beetje al die verschillende auteurs uit verschillende tijden met elkaar in gesprek te laten gaan.

Scarlet Tummers bezorgde een brief van Anton Tsjechov aan Gillis Biesheuvel die op zijn beurt een brief van Oscar Wilde kiest voor Sofie Sente die deze brief van Franz Kafka uitkoos. 


Max Brod was, naast een goede vriend, Kafka’s uitgever. Toen Kafka op veertigjarige leeftijd stierf, heeft hij al zijn werk aan Brod nagelaten met de wens het te verbranden. Deze wens heeft hij genegeerd. Hij heeft bijna alles uitgegeven dat in zijn bezit was.

De briefwisseling tussen Max Brod en Franz Kafka las Sofie jaren geleden.

Wat haar bijbleef is hoe verschillend deze twee schrijvers waren; Max Brod, een levensgenieter die door zijn enthousiasme vaak in de problemen komt en Franz Kafka ; het enigma, de gekwelde ziel, kwetsbaar, zowel lichamelijk als geestelijk.

Het is ontroerend hoe deze tegenpolen, deze vrienden mekaar helpen om hun kwelduivels te bedwingen.

De muizenangst en de 'poes-oplossing' in de brief van Kafka is zo treffend en grappig beschreven; de banale angst verbergt een existentiële angst.


 

1917

(Stempel: Flöhau, 4.12.17)

(Aan:) De heer Dr Max Brod k.k. Secretaris Posterijen Praag

k.k. Directie Posterijen

(Afz.:) Dr Kafka Zürau P Flöhau

 

Beste Max louter toeval dat ik pas vandaag antwoord en natuurlijk ook de kamer – licht- en muizenomstandigheden. Maar met nervositeit en een verruilen van stad voor dorp heeft dat niets te maken. Wat ik tegenover muizen heb, is banale angst. Uitzoeken waar die vandaan komt, is een zaak voor psychoanalytici, dat ben ik niet. Net als de angst voor ongedierte hangt hij beslist samen met het onverwachte, ongevraagde, onvermijdelijke, tot op zekere hoogte stomme, verbeten, met geheime bedoelingen geladen verschijnen van dieren, met het gevoel dat ze de muren aan alle kanten om je heen honderdvoudig doorgraven hebben en daar zitten te loeren, dat ze zowel door de nachttijd die hen toebehoort als door hun nietigheid zo ver van ons staan en daardoor nog minder grijpbaar zijn. Vooral hun kleinigheid heeft een belangrijk aandeel in de angst, de voorstelling bijv. dat er een dier zou bestaan dat er precies zo uit zou zien als een varken, dus op zichzelf vermakelijk, maar dat zo klein zou zijn als een rat en laten we zeggen snuivend uit een gat in de vloer zou komen – dat is een ontzettende voorstelling.

Een paar dagen geleden heb ik een zeer goede zij het ook maar provisorische uitweg gevonden. Ik laat de poes ’s nachts in de lege kamer hiernaast, voorkom daardoor de verontreiniging van mijn kamer (het is moeilijk in dit opzicht iets aan een dier duidelijk te maken. Het schijnen louter misverstanden te zijn, want de poes weet ten gevolge van klappen en verschillende andere maatregelen dat het niet op prijs wordt gesteld als ze haar behoefte doet en dat de plek ervoor zorgvuldig uitgezocht moet worden. Hoe doet ze het dus? Ze kiest bijv. een plek die donker is, die mij verder haar aanhankelijkheid bewijst en die daarbij natuurlijk ook voor haar geschikte eigenschappen heeft. Van de mensenkant gezien is die plek toevallig het binnenste van mijn pantoffel. Een misverstand dus en daarvan zijn er evenveel als nachten en behoeften) en de mogelijkheid van een sprong op mijn bed, maar heb toch het geruststellende gevoel dat ik, als het erg mocht worden, de poes kan binnenlaten. De laatste nachten waren ook rustig, in elk geval waren er geen onmiskenbare tekenen van muizen. Je slaap komt het trouwens niet ten goede, als je zelf een deel van de kattentaak op je neemt en met gespitste oren en vurige ogen rechtop of voorovergebogen in bed zit te luisteren, maar zo was het alleen in de eerste nacht, het wordt al beter.

 

Ik herinner me de bijzondere vallen, waar je me al vaker van hebt verteld; maar die zijn waarschijnlijk nu niet te krijgen, ik wil ze ook eigenlijk niet. Vallen lokken ze toch zelfs nog aan en roeien alleen die muizen uit die ze doodslaan. Katten daarentegen verdrijven muizen alleen al door hun aanwezigheid, misschien zelfs alleen al door hun uitwerpselen, reden om ook die niet helemaal te verachten. Opvallend was het vooral in de eerste kattennacht, die op de grote muizennacht volgde. Het was weliswaar nog niet helemaal ‘muisstil’, maar er liep er niet één meer rond, de poes zat, somber gestemd door de haar opgelegde wisseling van vertrek, in de hoek bij de kachel en verroerde zich niet, maar het was voldoende, het was net als met de aanwezigheid van een leraar, er werd alleen af en toe in de gaten nog wat gekletst.

 

Je schrijft zo weinig over jezelf, ik neem wraak met de muizen.

 

Je schrijft: ‘ik wacht op verlossing’. Gelukkig dekken je bewust denken en je handelen elkaar niet helemaal. Wie voelt zich nu niet ‘ziek, schuldbewust, machteloos’ in de strijd met zijn probleem of beter gezegd als probleem dat zichzelf oplost? Wie kan verlossen zonder dat hij tegelijk zelf verlost wordt? Ook Janáček (om wiens brief mijn zuster je trouwens vraagt) loopt op de dag van zijn concert door Praag te dwalen. Overigens: je bent niet kleinzerig en het zijn allemaal maar momenten. En dat talmoedverhaal zou ik anders vertellen: de rechtvaardigen wenen omdat ze gedacht hadden dat ze zoveel leed achter zich hadden en nu zien ze dat het niets was in vergelijking met wat ze nu zijn. Maar de onrechtvaardigen – bestaan die eigenlijk?

 

Mijn voorlaatste brief heb je met geen woord beantwoord, ook Werfels adres niet gestuurd, daarom moet je nu als je wilt mijn brief zelf aan Werfel sturen. Voor een uitnodiging van de ‘Anbruch’ heb je toch wel gezorgd?

 

Franz

 

 

Uit: Franz Kafka/ Max Brod, Een vriendschap in brieven, 1993
Arbeiderspers, 1993. Vertaling: W. Van Toorn

 

 

Wie kan verlossen zonder dat hij tegelijk zelf verlost wordt?